Op m’n eentje slenter ik over de donkere, verlaten speelplaats van het schooltje. Het gebouw ziet er ’s nachts een beetje ongezellig uit, bijna griezelig. Mijn ogen speuren de ramen een-voor-een af, en ik zet me schrap om te vluchten bij het minste teken van onraad. Het gevoel dat er zich ergens achter deze ramen een moordenaar of erger schuilhoudt, brengt een koude rilling door mijn ruggengraat teweeg. Ik kijk omhoog, naar de zolder, helemaal bovenaan het gebouw, waar ik de nacht zal doorbrengen. In de verte klinkt het gehuil van een (weer)wolf. Nog een huivering. Mijn blik dwaalt af, naar de kerktoren. Half twee, tijd om te gaan slapen. Ik twijfel. Mijn fiets staat vlak bij me. Ik heb echter geen zin om nu nog naar mijn bed in het verre Duffel te reizen. Even diep ademhalen, daarna stap ik resoluut naar de deur.
Ik sluip de trap op, en hoewel ik mijn best doe om niet te veel lawaai te maken, klinkt er een oorverdovend gekraak doorheen het gebouw. Op de eerste verdieping staat een deur op een kier, en ik hoor het geluid van een piano. Ik open de deur. Niemand aanwezig. Een oude, versleten piano, versierd met spinnenwebben en stof staat in een hoek van het lokaal. De muziek is plotseling gestopt. Ik schuifel terug naar buiten, en doe snel de deur dicht. Ik haast me de trap verder op en ik negeer het geluid van de piano, dat ondertussen is hervat.
Boven aangekomen zet ik onmiddellijk de teevee aan, om afgeleid te worden en om alle andere geluiden te verdrinken. Ondertussen zet ik een veldbedje op, en daarna drink ik een cola. Nu is het echt bedtijd, want morgen moet ik eruit om negen. Ik reik naar de teevee, maar vreemd genoeg heeft die zichzelf al uitgezet. Nu komt het ergste: ik moet het licht uitdoen, en daarna in de gevaarlijke donkerte mijn bed zien te vinden. En dan moet je weten dat er vleesetende appelsienen onder de zetels leven… Okee, even doorbijten dus… Ik blijf enkele tellen bij de schakelaar staan. Dan schraap ik al mijn moed bijeen en doe het licht uit. Het duurt een tijd voor mijn ogen aan het donker gewend zijn. Heel voorzichtig zet ik een stap richting veldbed, en dan nog drie.
Even later lig ik in mijn slaapzak, maar ik houd m’n ogen open. Ik hoor een deur piepen. De trap kraakt. Voetstappen. Een bliksemflits verlicht even heel de kamer, daarna klinkt er wat gedonder en het ruisen van de wind. In de keuken wordt er iets uit een kast gehaald, de ijskast fluistert een aantal dreigementen, de teevee floept weer aan, de weerworlf van daarstraks komt binnen, zet zich in de zetel, en drinkt een cola. Ik ben het beu en ik roep dat ze allemaal hun muil moeten houden, dat er anders ongelukken gaan gebeuren, dat ik wil slapen.
Alles wordt stil en ik doe gerust m’n ogen toe.